De gebruiker bepaalt
Al voor de lancering van het succesvolle Nederlandse meetinstrument OMI werd gesproken over een opvolger: Tropomi. Aan tafel zaten ontwerpers, bouwers, technici én het KNMI. Als één van de gebruikers is dit instituut vanaf de eerste dag bij het project betrokken.

Ruimtelijke resolutie van TROPOMI (rode vierhoek) in vergelijking met de resolutie van OMI, SCIAMACHY en GOME-2.
‘KNMI is het wetenschappelijk geweten van TROPOMI.’ Aan het woord is Pepijn Veefkind, senior onderzoeker bij het KNMI en Principal Investigator (hoofdonderzoeker) van Tropomi. Samen met zijn collega’s boog hij zich over de prestaties van het meetinstrument, nog voordat de eerste tekeningen werden gemaakt. ‘De eerste vraag die je moet stellen bij de bouw van een nieuw satellietinstrument is: welke vragen wil je eigenlijk gaan beantwoorden?’
Lage atmosfeer
Anders dan OMI, richt Tropomi zich vooral op de lage atmosfeer; de lucht waarin mensen leven. En dan met een veel gedetailleerdere blik. Veefkind: ‘Een pixel van Tropomi beslaat zeven bij zeven kilometer op de grond. Dat betekent dat we een stad als Rotterdam kunnen scheiden van het omliggende haven- en industriegebied. Metingen met zoveel detail zijn een grote stap voorwaarts in ons onderzoek.’

Uitbraak van de Eyjafjallajökull vulkaan op IJsland op 15 April 2010. De afpluis zoals gemeten met de OMI absorberende aërosol index (kleuren) over een RGB beeld van het MODIS satelliet instrument. (met dank aan Colin Seftor, SSAI)
Volgens Veefkind is Tropomi een ‘brugmissie’. Vroeger werden satellieten gelanceerd om fundamenteel wetenschappelijke problemen op te lossen. Steeds vaker helpen satellieten bij het in beeld brengen van bijvoorbeeld veranderingen in het klimaat en lokale luchtvervuiling. ‘Tropomi combineert beide: het instrument kan belangrijke vragen beantwoorden, maar het zorgt ook voor continuïteit in de gegevensstroom over ons klimaat. En dat is erg belangrijk om trends in ozon, stikstofdioxide, aërosolen en andere gassen te kunnen waarnemen.’
In vergelijking met OMI komen twee nieuwe vragen heel duidelijk naar voren. De eerste heeft te maken met methaan. Dit gas speelt een belangrijke rol bij het broeikaseffect. Maar welke rol precies? Dat moet Tropomi gaan uitvinden. De tweede is meer een opdracht dan een vraag: zorg ervoor dat je zelfs waarnemingen met lichte bewolking kunt gebruiken. Want tot nu toe gaat erg veel data door storende wolken de prullenbak in. ‘We proberen dit probleem aan te pakken door te kijken in de golflengten van het nabij infrarood. Met deze gegevens kunnen we een ‘wolkenfilter’ bouwen dat door dunne wolken heen kan kijken.’

Gemiddelde NO2 vervuiling boven Europa gemeten met OMI. TROPOMI zal deze datareeks verbeterd voortzetten.
Specialisatie
De drukste periode voor het KNMI is het eerste jaar na de lancering. Maar tot die tijd zitten de wetenschappers niet op hun handen. Nu al worden met modellen de dataproducten verbeterd die het KNMI over een jaar of vier gaat aanbieden. Daarnaast wordt veel tijd en aandacht besteed aan de voorbereidingen van de operationele missie van Tropomi. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van de gebruikerseisen en straks bij de kalibratie van het instrument.
‘Nederland speelt een grote rol bij de totstandkoming van Tropomi. Dat hebben we vooral te danken aan de successen van voorgangers als OMI en Sciamachy waar het KNMI ook aan meewerkte. We zijn maar een klein land in ESA-verband. Daarom is het belangrijk dat we ons specialiseren. Nederland doet dat heel erg goed in aardobservatie van de samenstelling van de atmosfeer.’
De wetenschappelijke leiding van TROPOMI is in handen het KNMI als PI en SRON als Co-PI. Dutch Space leidt de ontwikkeling en bouw van het instrument. Het NSO is initiator van het project.






